Burgemeester Korthals Altes vroeg in de
vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 14 februari 1948
een krediet van vijfhonderd gulden voor de ontvangst van de gedemobiliseerde
militairen. Het geld was bedoeld voor een traktatie en een medaille (in die
volgorde staat het in de notulen!). De gemeenteraad stelde in zijn vergadering
van 8 september 1948 een begrotingswijziging vast, waarbij het benodigde
krediet verleend werd.
Uit de B.&W-notulen, het is beter om te
spreken over een besluitenlijst, blijkt niet dat het in de bedoeling lag een
aparte gemeentelijke onderscheiding in te stellen. Tot 1979 was de situatie zo
dat de eremedaille - op een bepaald moment ging men van de erepenning spreken –
aangewend werd als onderscheidingsteken voor personen die zich voor de gemeente
bijzonder verdienstelijk hadden gemaakt, maar ook als prijs bij verschillende
evenementen.
Uit de tekst ‘ter herinnering aan ind. mil. dienst’ op de keerzijde van de
medaille zou mogen worden geconcludeerd dat toch wel van een aparte
onderscheiding mag worden gesproken, in die zin dat die alleen bedoeld was voor
een bepaalde groep.
In de uitnodiging aan de gedemobiliseerden
staat: ‘Als blijk van waardering voor Uw werk in de tropen, zal U in
tegenwoordigheid van het Zeister demobilisatiecomité tijdens een bijeenkomst
ten gemeentehuize een blijvende herinnering worden aangeboden.’ Met die
blijvende herinnering werd de eremedaille van de gemeente Zeist bedoeld, zoals
blijkt uit de brief aan de leden van het Demobilisatiecomité Zeist en aan de
plaatselijke pers. Het plaatselijk bestuur van de Band Nederland-Indië schreef
op 23 februari 1948 naar aanleiding van het bericht over de uitreiking: ‘Een
Huldeblijk van grotere waarde is niet denkbaar.’
Toen de burgemeester de eremedaille de eerste
keer uitreikte, noemde hij de eremedaille een kostbaar geschenk. Niet kostbaar
in de betekenis van geld, maar door het feit dat die medailles slechts bij
uitzondering worden uitgereikt. Die laatste woorden van de burgemeester
onderstrepen de waarde van de onderscheiding.
Niet aan elke uit Indonesië terugkeerde
militair werd de gemeentelijke eremedaille uitgereikt. Het gemeentebestuur vond
dat beroepsmilitairen ten aanzien van de militaire dienst in een andere positie
stonden dan vrijwilligers of dienstplichtigen. Het standpunt van het
gemeentebestuur was dan ook dat alleen aan vrijwilligers en dienstplichtigen
een eremedaille zou worden uitgereikt. Daarmee wilde men beslist niet te kennen
geven dat men geen waardering voor de prestaties van het beroepspersoneel zou
hebben.
Goed gedrag was ook een eis die gesteld werd
voor het in ontvangst mogen nemen van een eremedaille. Een OVW-er kwam niet in
aanmerking voor de onderscheiding omdat hij in 1943 wegens diefstal tot
gevangenisstraf was veroordeeld en ook tijdens zijn dienst in Indonesië in de
gevangenis gezeten had.
In totaal werden aan 543 gedemobiliseerden een
eremedaille toegekend, waarvan negen postuum. Uitgereikt werden 527 medailles,
aangezien een klein aantal blijkbaar geen prijs stelde op deze gemeentelijke
onderscheiding.
De tussen 1948 en 1951 aan de
gedemobiliseerden uitgereikte eremedaille van Zeist mag niet verward worden met
de huidige erepenning van de gemeente Zeist die in 1979 officieel door de
gemeenteraad werd ingesteld. Voor die tijd werd de erepenning incidenteel
toegekend. Tussen 1958 en 1978 gebeurde dat zeven maal. De eerste vier waren
van goud en de andere van (verguld) zilver.
In de volksmond worden de dragers van de
erepenning vaak ereburgers genoemd.
|