De Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond,
gehuisvest in Den Haag, kocht in 1959 de buitenplaats Djimath aan de
Woudenbergseweg voor de oprichting van een eigen sportcentrum. In 1961 werd
begonnen met de aanleg van de sportvelden en in 1963 met het gebouwencomplex. Het
nieuwe KNVB-sportcentrum werd op 16 september 1965 officieel door prins Bernhard
geopend. Op 29 maart 1971 werd een nieuw logies- annex administratiegebouw in gebruik
genomen en op 25 april 1974 werd het nieuwe bondsbureau betrokken. Bij de verhuizing
uit Den Haag werd ook het oorlogsgedenkteken uit het bondsbureau meegenomen en
kreeg het een plaats in sporthal.
Het monument bevat vijf bronzen kasten, waarin
de namen zijn gegoten van 2212 omgekomen bondsleden. Op de deur van de eerste
kast is het oorlogsmonster uitgebeeld, dat de doelpalen vernietigt, zinnebeeld
van het verbod van de bezetters om de voetbalsport te beoefenen. Op de deur van
de tweede kast staat het wegvoeren van de voetballers om in zware gevangenschap
onder martelingen en wreedheden het leven te laten. De derde kast vertoont het
embleem van de bond. Op de deur van de vierde kast is afgebeeld een dodenakker
met op de achtergrond het eeuwige vuur, symbool van de vele kerkhoven, waar de
talloze treurenden hun nabestaanden in liefde en smart herdenken en op de
vijfde een symbool van de bevrijding, de herrijzenis van de zelfstandigheid van
het vaderland, tevens getemperde vreugde, dat alle smart, alle lijden niet voor
niets is geweest. Boven de kasten staat ‘1940 - in memoriam - 1945’. Onder de
kasten hangt een plaquette met het opschrift ‘Bij herdenking 60-jarig bestaan
K.N.V.B. aangeboden door de aangesloten verenigingen. 1889 10 december 1949’. De
uitbeelding van het eeuwige vuur, een schaal waarop KNVB staat met een vlam, is
nu onder het monument bevestigd, maar oorspronkelijk hing dit onderdeel van het
monument boven de kasten en de tekst ‘in memoriam’. Het monument is ongeveer 2
x 3 meter groot. Het monument is ontworpen en vervaardigd door de firma Bosma
en Florack te Amsterdam.
De herdenkingsplechtigheid en de onthulling
daarbij van het monument ter ere van de in de oorlog en door de Duitse terreur
gevallen bondsleden was het hoofdmoment van de viering van het zestigjarig
bestaan. De herdenkingsplechtigheid vond plaats in het Concertgebouw aan de Van
Baerlestraat te Amsterdam op 10 december 1949. Nabestaanden van de omgekomen
voetballers waren in de gelegenheid gesteld om daarbij aanwezig te zijn. De
plechtigheid werd opgeluisterd door een concert van het Concertgebouworkest
onder leiding van Eduard van Beinum. De voorzitter van de commissie tot
aanbieding van een huldeblijk namens de aangesloten verenigingen, de heer J.M.
Koolhaas, bood het monument aan het bestuur van de KNVB aan. Het was de wens
van het bestuur om een gedenkplaat in het Bondsgebouw aan te brengen ter
nagedachtenis aan alle leden, die in de oorlog waren omgekomen. Erevoorzitter en
sportpionier Willem J.H. Mulier onthulde het monument.
Het zeer smaakvolle en kostbaar uitgevoerde
monument kreeg een plaats in de bestuurskamer van het bondsbureau aan de Van de
Spiegelstraat 21 in Den Haag. In het jaarverslag over het seizoen 1949-1950
schreef het bestuur: ‘Eerlang, als er een Bondsbureau komt, dat geheel aan
de tegenwoordig eisen voldoet, zal dit monument een meer opvallende plaats
krijgen, waarbij wij denken aan de hal.’ Het monument kreeg, nadat het was overgebracht
naar Zeist, een prominente plek in de inganghal van de sporthal.
Sinds een aantal jaren is het
KNVB-sportcentrum verzelfstandigd en wordt het commercieel geëxploiteerd. Het KNVB
hotel en de sport- en zalenaccommodatie - met een capaciteit tot 3.000 personen
- kunnen gehuurd worden voor beurzen, conferenties, cursussen en examens. De grote
hal van de sporthal is voor dat doel verbouwd tot een bar en lounge. Voor de
mensen die hier gezellig bijeen zijn, vindt men het monument blijkbaar te
confronterend. Tegenwoordig gaat het monument schuil achter een gordijn. Alleen
op 4 mei wordt deze opengeschoven, maar er heeft geen herdenkingsbijeenkomst
plaats.
Dit was in het verleden wel anders. Toen het
monument nog in het bondsbureau in Den Haag hing, vond er jaarlijks een
plechtige herdenking plaats. Zo werd bijvoorbeeld in 1961 na het spelen van het
Ave Verum van Mozart door de bondsvoorzitter een herdenkingstoespraak gehouden,
waarna hij een krans aan het monument hechtte, gevolgd door een kranslegging
door een deputatie van joodse verenigingen. De plechtigheid werd besloten met
het ten gehore brengen van het slotkoor uit de negende symfonie van Beethoven.
|