De oorlogsmonumenten in Zeist

Soestdijkerweg 6 - gedenkkruis - (1) 1947; (2) tussen 1948-1970; (3) na 1970

Op donderdag 5 april 1945 omstreeks 7.30 uur belde een Duitse militair het politiebureau in Zeist met de mededeling dat op de Soestdijkerweg ter hoogte van het perceel nummer 8 tien mannen waren doodgeschoten. Hij gaf opdracht maatregelen te nemen voor het vervoer van de lijken. Toen de politie bij de genoemde plaats aankwam, vond zij op de verhoogde berm, ongeveer vijftien meter vanaf de Soestdijkerweg tien dode mannen liggen. Zij voelden toen al koud aan.

In de boerderij op het adres Soestdijkerweg 8 woonde Hendrik Hilhorst. Hij verklaarde dat die morgen omstreeks 6.30 uur een autobus uit de richting van Utrecht was komen aanrijden en dat die vlakbij zijn boerderij was gestopt. Eerst stapten militairen van de Duitse Wehrmacht uit en daarna de tien mannen in burger. Die tien mannen moesten zich in de berm in een rij opstellen. Tien of meer Duitse militairen vormden een executiepeloton, dat na het in het Duits gegeven commando ´feuer´ op die mannen begon te schieten. De tien vielen op de grond, waarna vier mannen nog door een van de Duitse militairen een genadeschot kregen. Vervolgens stapten de militairen weer in de bus en reden weg. Volgens een rapport van 6 april van een ondergrondse inlichtingendienst was er niet alleen sprake van een autobus, maar reed voor die bus ook nog een personenauto. Beide voertuigen zouden het laantje naar de boerderij van Hilhorst op gereden zijn.[3]

De lijken werden overgebracht naar het lijkenhuis van de Nieuwe Algemene Begraafplaats aan de Woudenbergseweg. Daar werd een onderzoek ingesteld naar de identiteit van de doodgeschoten mannen. Op zes lijken vond men een persoonsbewijs of een bewijs van Nederlanderschap. Op verzoek van de gemeentepolitie van Zeist verstrekte de Sicherheitspolizei te Utrecht, die kantoor hield op de Maliebaan 74, een opgave van de tien standrechterlijk doodgeschoten mannen. De meeste lijken werden door naaste familieleden of anderen die hen goed gekend hadden, geïdentificeerd. Het waren:

  • Antonius Cornelis Joseph Brinkhof, geboren te De Bilt op 22 augustus 1908, wonende te Utrecht
  • Johannes Hendrikus Brinkhof, geboren te De Bilt op 8 juni 1895, wonende te Utrecht
  • Gerrit Dekker, geboren te Utrecht op 17 mei 1926, wonende te Utrecht
  • Antonie van der Hoek, geboren te ´s-Gravenhage op 23 december 1897, wonende te Maarssen
  • Johannes Jonk, geboren te Leiden op 23 februari 1895, wonende te Leiden
  • Hendrikus Kemp, geboren te Haarlemmermeer op 7 juni 1910, wonende te Amsterdam
  • Henri Johan Koningsberger, geboren te Blokzijl op 11 februari 1924, wonende te Amsterdam
  • Jan Kouw, geboren te Asperen op 25 juni 1892, wonende te Leerdam
  • Hendrik Willem Loddema, geboren te Haarlemmermeer op 21 augustus 1913, wonende te Nieuwer Amstel
  • Rinke Vos, geboren te Amsterdam op 24 januari 1922, wonende te Amsterdam
Soestdijkerweg 6 - gedenkkruis

Een dokter van de G.G. & G.D. voerde de doodsschouw uit en gaf als doodsoorzaak op van: Antonius Cornelis Joseph Brinkhof ‘schotwond linker ooghoek, schotwond door de keel’, Johannes Hendrikus Brinkhof ‘schotwond rechter ooghoek’, Gerrit Dekker ‘schotwond rechter ooghoek’, Antonie van der Hoek ‘schotwond door de neus’, Johannes Jonk ‘schedel verbrijzeld’, Hendrikus Kemp ‘schotwond rechter voorhoofd’, Henri Johan Koningsberger ‘schotwond boven linker oog, schotwond rechter mondhoek, schotwond rechter voorhoofd’, Jan Kouw ‘schotwond rechter oog, schotwond rechter oor’, Hendrik Willem Loddema ‘schotwond rechter oog, schotwond linker oor’ en Rinke Vos ‘schotwond rechter wang, schotwond linker halsslagader’.

De officier van justitie verleende op 10 april toestemming om hen te begraven.

Natuurlijk dringt zich de vraag op waarom die tien mannen ’s morgens vroeg op 5 april 1945 standrechterlijk werden geëxecuteerd. Volgens de rapporteur van de ondergrondse inlichtingendienst was de executie vermoedelijk bedoeld als represaillemaatregel voor een overval op twee SS’ers een week eerder in die omgeving. Een SS’er werd daarbij gedood en de ander zwaar gewond. Boer Hilhorst had ook het vermoeden dat de executie iets met die aanslag te maken had. Hij spreekt echter slechts over een gewonde SS’er en niet over een gedode SS’er. De Duitse Weermacht heeft toen in de omgeving van zijn boerderij een onderzoek ingesteld. In een rapport van 9 april van de reeds genoemde inlichtingendienst wordt ook slechts gesproken over een Duitse militair die gewond was geraakt bij een aanslag in de nacht van 27 of 28 maart. Daarentegen wordt later in het proces tegen W.P.F. Lages, waarin deze fusillade ter sprake kwam, gesproken over ‘enige leden van de Duitse weermacht’.[4] De militair commissaris voor Utrecht (oost), majoor Mr. E. van de Weijer, meldde begin juli 1945 aan de chef staf van het militair gezag in Den Haag dat de tien mannen waren terechtgesteld als represaille tegen mijnenleggen en een gevecht van de BS (Binnenlandse Strijdkrachten) tegen de SS.

Verder staat in het rapport van 9 april dat de aanslag plaats had ter hoogte van de boerderij van Hilhorst. Diezelfde nacht nog was de Duitse Weermacht druk in de weer geweest de vermoedelijke daders op te sporen en had daarom grondig onderzoek gedaan in de buurt waar de gewonde militair gevonden was. Of dat onderzoek iets opgeleverd heeft, is niet bekend geworden. Vreemd genoeg wordt in dat rapport gesproken over een gesloten vrachtwagen. In datzelfde rapport wordt ook gezegd dat de tien mannen op het fietspad stonden toen ze werden doodgeschoten en dat hun lijken overgebracht werden naar het lijkenhuisje van de Willem Arntszhoeve. Hetgeen onjuistheden zijn. Volgens het rapport zouden de lijken tot 12.30 uur op de fusilladeplaats zijn blijven liggen, voordat zij werden weggebracht. De rapporteur was wel goed op de hoogte van de identiteit van de slachtoffers.

De aanslag op 27 of 28 maart 1945 is nooit opgeëist.

Sinds 1953 wordt beweerd dat de tien mannen werden gefusilleerd als represaille voor de aanslag op Rauter op 6 maart 1945.[5] Als tegenmaatregel voor die aanslag bij Woeste Hoeve hebben de Duitsers direct 263 personen gefusilleerd. Hun namen zijn bekend en op die lijst staan niet de namen van de aan de Soestdijkerweg gefusilleerde mannen.[6] Dat er een maand later nog eens tien mannen werden gefusilleerd als represaille lijkt onwaarschijnlijk. Een ander argument dat daar ook tegen pleit is een proces-verbaal dat als bewijsstuk heeft gediend in het proces tegen Lages. Hierin wordt de volgende verklaring gegeven voor de fusillade aan de Soestdijkerweg: ‘Uit een ingesteld onderzoek is gebleken, dat deze personen die zich allen als gevangenen bonden [sic] in de Duitse gevangenis te Utrecht, als represaillemaatregel zijn gefusilleerd, omdat ter plaatse een aanslag was gepleegd op enige leden van de Duitse weermacht.[7] Een verdere bevestiging hiervan is te vinden in: J. van Miert (red.), Een gewone stad in een bijzondere tijd: Utrecht 1940-1945 (Utrecht 1995), waarin op blz. 272 wordt vermeldt dat er op 5 april 1945 tien gevangenen uit het Huis van Bewaring werden gefusilleerd als represaille voor een aanslag op leden van de Weermacht.

De namen van alle op 5 april 1945 aan de Soestdijkerweg gefusilleerde personen zijn vermeld op de ‘Erelijst van namen van hen die voor het Vaderland gevallen zijn’, welke neergelegd is in het gebouw van de Tweede Kamer aan het Binnenhof in ´s Gravenhage. Slechts van een viertal van hen is iets bekend over illegale activiteiten. Antonie van der Hoek hielp onderduikers en was lid van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Hij behoorde ook tot de KP-sabotageploeg Maarssen. Op 19 maart 1945 werd hij in Ter Aa gearresteerd, terwijl hij een sten in zijn bezit had. Johannes Jonk verschaftte hulp aan ondergedoken joden en andere onderduikers en haalde wapendepots van de bezetter leeg. Op 10 februari 1945 werd hij in Scherpenzeel gearresteerd. Henri Johan Koningsberger deed in 1943 een mislukte poging naar Engeland te ontsnappen, waarna hij in 1943/1944 vier maanden in een Franse gevangenis verbleef. Hij nam deel aan het OD-werk. Hij werd op 23 maart 1945 te Amsterdam gearresteerd. Zijn vader, dominee J.C. Koningsberger, heeft de Duitsers toen hij nog in het Huis van Bewaring aan het Kleine-Gartmanplantsoen in Amsterdam zat, losgeld betaald om hem vrij te kopen. Ds. Koningsberger kon het bericht van de dood van zijn zoon dan ook niet geloven.[8] Rinke Vos dook tijdens zijn verlof na een periode van tewerkstelling in Duitsland onder. Op verschillende plaatsen en streken en telkens met andere personen verrichtte hij veel en zwaar illegaal werk. Zijn arrestatie had plaats te Amsterdam op 14 februari 1945.

Soestdijkerweg 6 - gedenkkruis

In 1947 werd op de plaats waar de tien mannen standrechterlijk waren neergeschoten ter herinnering een houten kruis geplaatst. Later, wanneer is niet bekend maar in ieder geval voor 1961, werd het vervangen door een kruis dat gemaakt was van gewapend beton. De maker van dat kruis was Hendrik Goos uit Den Dolder, die ook het monument ter herinnering aan de spoorwegstaking van 1944-1945 gemaakt heeft. Op initiatief van O. Schoemaker, die aan de Soestdijkerweg woonde, werd na 1970 het oude kruis vervangen door een hardstenen kruis met een plaquette met de namen van de geëxecuteerden en hun geboortedata. Leunde deze oorspronkelijk tegen het kruis, tegenwoordig ligt hij er plat voor. Het kruis is op een sokkel van 30 x 45 x 39 cm (h x b x d) geplaatst. Het kruis is 1,55 m hoog en heeft een breedte van 95 cm. De grootte van de plaquette is 65 x 65 cm. Een plek van 1,78 x 1,45 m is door een rand van bakstenen gemarkeerd. Op het kruis staat de datum van de executie aangegeven ‘†5.4.1945’ en op de sokkel staat de tekst ‘Standvastig is gebleven mijn hart in tegenspoed’.

In 1969 werd vanuit Den Dolder de laatste Stille Omgang op 4 mei naar deze plaats gehouden. Door de Oranjevereniging Den Dolder werden in de jaren daarvoor alle bekende nabestaanden uitgenodigd, maar aan deze uitnodiging werd door hen nimmer gevolg gegeven. In verband met de verminderde belangstelling van de bewoners van Den Dolder voor de herdenking van de gevallenen op deze plek, die op ongeveer een uur lopen van Den Dolder ligt, stelde de Oranjevereniging Den Dolder aan het gemeentebestuur voor het monument naar het plantsoen op de hoek van de Dolderseweg en de Willem Arntszlaan te verplaatsen. Een tweede argument dat de Oranjevereniging aandroeg, was dat de eigenaar van de boerderij in de oorlog ‘fout’ was. De Nationale Federatieve Raad van het voormalig verzet, afdeling Zeist, was tegen het verplaatsen van het monument. De aarde was daar gedrenkt met het bloed van de geëxecuteerden. Het gemeentebestuur besloot niet op het verzoek van de Oranjevereniging in te gaan maar in het plantsoen aan de Dolderseweg, hoek Willem Arntszlaan een eenvoudig houten kruis te plaatsen.

De vraag wie de juridische eigenaar van het monument was, werd in 1969/1970 niet gesteld. Het monument staat op ongeveer 35 m van de openbare weg op een oprit. De drie successievelijke monumenten werden door particulieren geplaatst. De gemeente nam alleen in 1961 de zorg voor het onderhoud op zich.

Tot eind 1961 werd het monument door Hendrik Goos onderhouden. Op zijn verzoek werd het onderhoud door de gemeente overgenomen. Vanaf 1970 raakte het monument in verval. In 1973 klaagde de weduwe van een van de gefusilleerde mannen, mw. H.W. Loddema-Meijer, over de verwaarlozing. In 1987 werd het monument op verzoek door de gemeente opgeknapt. In dat jaar werd het door de prot.-chr. Hazenboschschool geadopteerd. In 2002 is de adoptie door de r.-k. basisschool De Kameleon, locatie Den Dolder, aan de Dokter J.C. Boswijklaan 10, overgenomen.

Nu de jaarlijkse Dodenherdenking in Den Dolder niet meer aan de Soestdijkerweg plaats vindt, betekent niet dat dit monument door de samenleving is vergeten. Het Zeister Comité 4 en 5 mei brengt op 5 april (dag van de fusillade) of op 4 mei (Dodenherdenking) samen met leerlingen van de basisschool die het monument geadopteerd heeft, een bezoek aan deze plek, waarbij de doden worden herdacht.