De oorlogsmonumenten in Zeist

Walkartpark - Monument voor de gevallenen - 4 juli 1951

Een halfjaar na de bevrijding werd in Zeist het Comité Monument voor de Gevallenen opgericht. Het bestuur werd gevormd door Th.J. Berents, voorzitter, P.A. van der Werff, secretaris, mw. H.J. Kroon, penningmeester, en de leden de heren E.C. Baron van Pallandt en A. van Rooyen. Burgemeester Mr. W.A.J. Visser was voorzitter van het erecomité, waarin alle geestelijke en maatschappelijke stromingen vertegenwoordigd waren. Het doel was te komen een blijvend monument voor de oorlogsslachtoffers.

Met het monument moest de gedachtenis levend worden gehouden van al diegenen die door oorlogshandelingen waren gevallen. Het monument was bedoeld voor de Zeistenaren die hun leven lieten tengevolge van de gevechtshandelingen in mei 1940, voor hen die later de strijd hebben voortgezet buiten en binnen onze grenzen, te land, ter zee en in de lucht, voor de slachtoffers van de Duitse terreur - zowel zij die werden vermoord als gevolg van hun verzet, die de dood vonden in martelkampen in eigen land en daarbuiten, aan hen die werden neergeschoten bij hun pogen uit de naziklauwen te blijven bij gehouden razzia´s enz. - en ook voor hen die omkwamen tengevolge van bombardementen.

Het is dan ook beter te spreken van het Monument voor de gevallenen in plaats van het Verzetsmonument.

De burgemeester noemde in de raadsvergadering van 14 februari 1946 een aantal van 85 oorlogsslachtoffers. Volgens de officiële gegevens waren 22 Zeister ingezetenen gesneuveld, werden vier vermist, waren zes gedood bij de beschieting van een levensmiddelentransport, waren dertig personen gedood bij bombardementen (waaronder vijftien inwoners van Zeist), waren acht gefusilleerd en keerden dertig nog niet uit het buitenland terug. In de Zeister Post van 20 februari 1946 daarentegen werd een aantal van 150 genoemd en daarbij waren de vermisten niet gerekend. ‘Dat zijn er velen, méér dan men verwachten zou uit ons rustige Zeist, waar toch eigenlijk bijna nooit iets gebeurde.’, schreef de Zeister Post hierbij. Een overzicht van enkele jaren later noemt 120 omgekomenen. Hieruit blijkt dat in de eerste jaren na de oorlog veel onduidelijkheid bestond omtrent het aantal slachtoffers. Daar schuilt ook het gevaar in om ‘alle’ namen van de omgekomen Zeistenaren op het monument te vermelden, zoals verschillende keren door inwoners van Zeist aan het gemeentebestuur gevraagd werd.

Uit een door ons uitgevoerd onderzoek naar tijdens de Tweede Wereldoorlog gesneuvelde en omgekomen Zeistenaren, waarbij wij onder Zeistenaar verstaan een ieder die in Zeist is geboren maar ook degenen die gedurende een deel van hun leven in Zeist hebben gewoond, komen wij op een aantal van 266. Hierbij zijn de 103 omgekomen joodse burgers niet meegerekend.

Het geld voor het monument werd door middel van een grote geldinzameling die op 1 en 2 maart 1946 werd gehouden, door de burgerij bij elkaar gebracht. Deze actie werd ondersteund door de Oranjevereniging Zeist. Er werd ongeveer 20.000 gulden bijeen gebracht (waarde in 2005: 181.957,13 gulden of 82.568,54 euro). Het ingezamelde bedrag werd veilig en rentegevend belegd bij de Incassobank aan de Slotlaan.

Het Comité Monument voor de Gevallenen koos eind februari 1946 het ontwerp van de tekenaar, graveur en beeldhouwer Maarten Leendert (Maarten) Pauw (1912-1966).[9] Deze was in Zeist geen onbekende. Van 1923 tot 1939 was hij een inwoner van Zeist. Voor de voetbalvereniging Zeist maakte Pauw in 1946 het monument, dat bij het sportterrein aan de Dijnselburgerlaan staat. Zijn ontwerp stelde een stervende mannenfiguur met opgeheven hand voor, de gevallenen voorstellend, tegen een achtergrond van een staande granaat met vlammen rond de voet; aan beide kanten geflankeerd door een leeuw. Een maquette van het monument was te zien in de etalage van de Utrechtsche Apotheek aan de Slotlaan. In de Zeister Post van 6 maart 1946 staat een foto van de maquette. Na negen maanden werd het ontwerp eind 1946 door de Commissie voor oorlogs- of vredesgedenktekens in de provincie Utrecht afgewezen.

Na deze afwijzing nam het Comité Monument voor de Gevallenen contact op met de Nederlandse Kring van Beeldhouwers en de Bond van Nederlandse Architecten over de keuze van een beeldhouwer, die een zodanige naam had verworven, dat aan hem het maken van een ontwerp kon worden toevertrouwd. Na Pauw zijn nog een vijf beeldhouwers en -houwsters met een ontwerp bezig geweest en met hun architecten in Zeist geweest, maar zonder succes.

Voor het Comité Monument voor de Gevallenen waren dit grote tegenslagen. Daarbij kwam nog dat het voor de inwoners van Zeist te lang ging duren. Het positieve was dat zich in een paar jaar tijd belangrijke prijsdalingen van de benodigde materialen hadden voorgedaan en dat bij de beeldhouwers een meer bezonken oordeel was ontstaan over de vraag hoe zij uitdrukking moesten geven aan hetgeen van hen gevraagd werd.

In november 1947 werd de opdracht voor het monument gegeven aan Dirk Johannes (Dirk) Wolbers (1890-1957) uit Den Haag. Het verzetsmonument in Vlaardingen op het Verploegh Chasséplein dat op 2 augustus 1950 werd onthuld, is ook een ontwerp van hem. Dat ontwerp was het Comité Monument voor de Gevallenen reeds op gevallen op de in Amsterdam gehouden tentoonstelling ‘Monumenten’. Kort nadat Wolbers de opdracht had aangenomen, kreeg hij een verkeersongeluk waardoor hij bijna een jaar niet kon werken. Eind april 1949 was het ontwerp gereed. Het Comité Monument voor de Gevallenen stuurde het op 16 mei 1949 ter goedkeuring naar de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Bij Koninklijk Besluit van 15 oktober 1945 (Staatsblad nr. F 231) was het namelijk verboden om oorlogs- of vredesgedenktekens op te richten, te plaatsen of aan te brengen op openbare of van de openbare weg af zichtbare plaatsen, zonder goedkeuring van het ontwerp door de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Op advies van de Commissie voor oorlogs- of vredesgedenktekens in de provincie Utrecht en van de Centrale commissie voor oorlogs- of vredesgedenktekens verleende de minister op 31 augustus 1949 zijn goedkeuring.

De gemeenteraad besloot in zijn vergadering van 19 december 1949 om het monument nadat het was gereedgekomen als schenking te aanvaarden.

Tussen de ministeriële goedkeuring en de onthulling zitten nog bijna twee jaar. Eerst werd een maquette gemaakt die ongeveer 20 cm hoog was. Daarna een maquette op ongeveer de helft van de ware grootte. De opdrachtgever kon dan nog opmerkingen maken. Op 18 januari 1951 kwam de steen waaruit het monument werd gehakt vanuit Frankrijk in de steenhouwerij van Wolbers aan. Pas toen kon de beeldhouwer met zijn assistent met hakken beginnen.

De onthulling van het monument had op woensdagavond 4 juli 1951 plaats. Het was een indrukwekkende plechtigheid, waaraan het Koninklijk Zeister Harmonie Muziekgezelschap en het Zeister Mannenkoor hun medewerking verleenden. Voordat het beeld dat met de Nederlandse vlag was bedekt, werd onthuld, droeg de voorzitter van het Comité Monument voor de Gevallenen na een korte toespraak het monument over het gemeentebestuur. Het beeld werd onthuld door mevrouw M.W. van Hattem-Peil, moeder van de omgekomen Zeister verzetstrijder Frits Otto van Hattem (1922-1944).[10] Na het zingen van het Wilhelmus voerde de burgemeester het woord. Namens het gemeentebestuur aanvaardde hij het monument. De plechtigheid werd besloten met kransleggingen en het neerleggen van bloemen.

Sindsdien heeft de officiële jaarlijkse Dodenherdenking in Zeist plaats bij het Monument voor de gevallenen in het Walkartpark.

Walkartpark - Monument voor de gevallenen

Het monument bestaat uit een meer dan levensgroot beeld van een naakte jonge man, die de samengevouwen Nederlandse vlag omklemt en met vertrouwen in de toekomst ziet. Hier wordt de gedachte uitgebeeld, welke in de bezettingstijd het verzet bezielde: het vasthouden aan de nationale eer en de vrijheid, gesymboliseerd door de vlag; de blik op de verre betere toekomst gericht, versterkt door het gebaar van de linkerhand die hij boven de ogen houdt. Het monument is gemaakt van crème getinte kalksteen uit Euville (Frankrijk). Het beeld van de mansfiguur is 2,65 m hoog en 1,20 m breed. De vijfhoekige sokkel waarop het geplaatst is, heeft een hoogte van 1,35 m, een breedte van 1,00 m. De vijfhoek geeft zinnebeeldig de periode van vijf jaar aan, welke onder bezetting zijn doorgebracht. Op het voetstuk staan de jaartallen 1940 en 1945. De vleugels aan weerszijden van de sokkel zijn 65 cm hoog en 3,00 m breed. Op de zijvleugels staan de woorden ‘Zij vielen voor onze vrijheid en voor de toekomst onzer kinderen’ gebeiteld. Deze woorden waren in Zeist alom bekend door een prent van de Zeister kunstenaar Rinze Hamstra.

Al in een vroeg stadium vond men de huidige plaats van het Monument voor de gevallenen in het Walkartpark, waar in de eerste jaren na de oorlog het voorlopige monument in de vorm van een kruis stond, de meest geschikte plaats in het centrum van Zeist. Er werden nog zeker twaalf andere plaatsen bekeken, maar al de beeldhouwers die benaderd waren voor het monument met de architecten en het Comité Monument voor de Gevallenen waren het unaniem eens over deze plaats. Ook de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen keurde deze plaats goed.

Als reden werd aangevoerd dat deze plaats in de lengteas van het park ligt, met op de voorgrond een aantal gazons, die omgeven zijn door hoog opgaand geboomte. Hierdoor wordt het oog vanzelf getrokken naar die plaats, terwijl het beeld, dat uitziet naar de toekomst (in de verte) dan ook werkelijk in ‘de verte uitziet’. Bovendien had deze plaats het grote voordeel, dat zij in een rustige omgeving ligt en toch direct aan een belangrijke weg. Mensen die bij het monument de slachtoffers willen herdenken, kunnen dat op die plaats in het park in rust en stilte doen, zonder te worden gehinderd door het verkeer en ongewenste nieuwsgierigheid van passanten.

De plaatsing van het beeld op de uitgekozen plaats, hield wel in dat in het Walkartpark enkele wijzigingen aangebracht moesten worden. De achtergrond moest zodanig worden verzorgd dat het daar achterstaande minder fraaie gebouw werd gemaskeerd, enige paden, waaronder een uitgang naar de Kerkweg, moesten vervallen en een pad moest worden omgelegd. Twee bomen moesten worden gekapt en beplanting verwijderd. Tevens moesten twee zitbanken worden verwijderd. De kosten van deze werkzaamheden bedroegen 2500 gulden.

Walkartpark - Monument voor de gevallenen

De kunstenaar heeft het naakte mannelijke lichaam genomen om zijn artistieke ideeën over verzet te verbeelden. In een info van 2 september 1949 staat: ‘het geslachtsdeel, dat op de foto’s opvalt, zal om elke aanstoot te voorkomen, slechts als “in aanduiding” worden aangegeven’. Dat heeft de beeldhouwer uiteindelijk dus niet gedaan. Het is een man gebleven. In de raadsvergadering van 19 december 1949 waarin de gemeenteraad de schenking van het monument aanvaardde, zei het raadslid A. Span (A.R.P.) dat het hem getroffen dat het een naakte mannenfiguur was. Hij kon daar geen begrip voor opbrengen. Hij vroeg het college invloed uit te oefenen zodat het beeld niet een totaal ontklede jongeman zou voorstellen. Na de onthulling van het monument barstten de commentaren op het beeld van de naakte man los. Voor- en tegenstanders stuurden brieven naar de plaatselijke kranten en de commotie bereikte de landelijke pers. Dit duurde enkele maanden.

Deze discussie werd niet alleen in Zeist gevoerd, maar op meerdere plaatsen in Nederland. Een voorbeeld is Schiedam, waar het gemeentebestuur het beeld van een naakte vrouw van Piet Starreveld afwijst (1947). Zo zijn nog een aantal plaatsen te noemen. Van Han Richters is het Nationaal Bevrijdingsmonument in Wageningen (1951) dat een naakte mannenfiguur voorstelt. Net als Wolbers heeft Richters niet toegegeven aan de druk om het beeld zo te veranderen dat er geen aanstoot aan werd genomen.

De normen in de maatschappij ten aanzien van het naakte lichaam zijn de laatste decennia gewijzigd. Niemand neemt meer aanstoot aan de afbeelding. Het raadslid Span heeft wel in zoverre gelijk gekregen dat het monument regelmatig wordt beschadigd. Voordat de jaarlijkse Dodenherdenking gehouden wordt, wordt het beeld door een medewerker van de gemeente geïnspecteerd. Haast ieder jaar wordt het mannelijk geslachtsdeel door vandalen van het beeld gehakt, maar soms ook de neus. De gemeente heeft een vaste beeldhouwer die het monument dezelfde dag kan repareren. Het monument wordt ook regelmatig beklad of met graffiti bespoten. Zelfs met hakenkruizen. Op het monument is een anti-graffitilaag aangebracht, zodat het vrij snel kan worden schoongemaakt.